Poging 1

      Geen reacties op Poging 1

Voor we het traject startten wist ik het niet, maar naast zwangerschapstesten bestaan er ook ovulatietesten. Die zijn heel belangrijk, want het is de bedoeling dat je zelf erachter komt wanneer de iui het beste kan plaatsvinden, en die testen helpen daar aanzienlijk bij. Als je een positieve test hebt, bel je naar het ziekenhuis en dan kun je de volgende dag terecht. Dat klinkt allemaal heel duidelijk, maar zo duidelijk is het natuurlijk niet, want testen kunnen ook best ‘een beetje positief’ zijn (afhankelijk van welke soort je hebt, of ze een streepje tonen of een smiley) en omdat je dus pas een dag later terechtkunt, probeer je dat ook nog mee te nemen in alle overwegingen over wanneer te testen en wanneer te bellen. Voor je het weet, eindig je met zes verschillende soorten testen, die je allemaal meerdere malen per dag uitvoert. Het is toch een hele verantwoordelijkheid. Als je het niet goed doet, zit je pogingen voor niets te ondernemen. N. kiest voor één soort smiley-test zodat de resultaten in elk geval niet multi-interpretabel zijn.

Natuurlijk is het op een zondag als de test positief aangeeft. Het is nog niet heel lang geleden dat ik om onduidelijke redenen een middag vrij nam voor een privé-afspraak (de intake voor het traject). Ik wil niet dat mijn werk weet dat we hiermee bezig zijn. Het is te privé en bovendien, het kan nog wel een jaar duren voordat N. zwanger is. Of ze wordt (God verhoede) helemaal nooit zwanger, je weet het niet, maar ondertussen weten allerlei andere mensen dan wel dat je een kindje probeert te krijgen en worden er allerlei vragen gesteld waar je op dat moment helemaal niet op zit te wachten. Als ik nu ineens de maandag vrij neem, dan zou dat toch wel wat vragen oproepen. Bovendien: hoe vraag ik überhaupt in een weekeinde vrij voor de volgende dag? Door een sms’je te sturen met: ‘Hey trouwens ik kom morgen niet, is wel goed toch?’ Als het moet, dan moet het, maar echt lekker voel ik me daar toch niet bij. (Ik ben van het soort dat vindt dat je prima kunt gaan werken als je ziek bent, zolang je je maar met behulp van paracetamol naar je werk kan verslepen.)
De vraag is dus: moet het wel? Moet ik hierbij zijn? Helpt het N. als ik hierbij ben, kan ik haar tot steun zijn? We denken erover na en komen tot de pijnlijke conclusie dat dat waarschijnlijk niet zo is.
Er zijn zo veel gevoelens rondom deze iui dat we de eerste dagen daarna vooral daarmee bezig zijn. Dit is de periode dat ik er het verdrietigst om ben dat ik N. niet zwanger kan maken. Dat daarvoor een ziekenhuis nodig is, een iui, wat echt niet niets is. En dan het besef dat pogingen om zwanger te worden bij veel anderen een aangenaam tijdverdrijf is.

Eer dat we alles voor onszelf weer een beetje op een rijtje hebben gezet, zijn we alweer ruim een week verder. De helft van de wachttijd is inmiddels verstreken, en we beginnen vooruit te kijken in plaats van achteruit. Zou de iui gelukt zijn? Elke avond bid ik, vuriger dan ooit. Laat N. zwanger zijn, alsjeblieft. Het lijkt me doodeng om een kind te krijgen, en het zou bizar zijn als het nu ineens al gelukt zou zijn (dat zou betekenen dat ons kindje al in 2016 geboren zou worden!), maar hoe fijn zou het zijn als er maar één poging nodig zou zijn… Nog een paar dagen, en dan kunnen we testen.

Het huis

      Geen reacties op Het huis

‘Ik vind het niet leuk dat je het steeds over verhuizen hebt’, zegt N. ‘We hebben toch een goed huis?’
Het is waar. We hebben een goed huis. Met een enorme woonkamer, een mooi balkon en op een prachtige locatie. Toch heb ik het vaak over verhuizen. Niet omdat ik verhuizen nu zo’n leuke bezigheid vind, of omdat ik ons huis niet goed vind, maar gewoon, omdat het leuk is om op Funda te kijken en weg te dromen bij mogelijke andere levens die wel of niet binnen ons bereik liggen.
‘Ik zal het er niet meer over hebben’, beloof ik. ‘Maar ik wil wel een lijstje maken met wat ik allemaal wil veranderen in huis.’
Ik maak een lijstje. Er staan dingen op die ik sowieso wil (laten) doen, zoals het ophangen van een brandmelder, en dingen die alleen hoeven als het lukt om een kind te krijgen, zoals een co-sleeper. Een van de dingen waar ik me enorm druk om kan maken, is dat onze slaapkamer te klein is voor een co-sleeper. Waarschijnlijk is er wel een oplossing, en anders zal ons kind meteen in zijn eigen kamer moeten slapen. Want zo veel ruimte is er in ons appartement, dat ons kind ook zijn eigen kamer kan hebben. Geen dringende noodzaak om binnen een paar jaar te verhuizen dus.

Twee weken later. N. ontvangt een e-mail van een vriendin waarin staat dat ze naar een nieuw huis gaan kijken: ‘Met een tuin voor J.’. We funda’en het huis. Het heeft energielabel F en ligt mijlenver van het station. Wel een tuin, dat is waar, en wel zes slaapkamers en een mooie keuken en badkamer.
‘Wij hebben geen tuin’, zegt N. sip. ‘Moet dat denk je?’
‘Nee’, zeg ik. ‘We nemen ons kind gewoon lekker vaak mee naar zijn oma’s, zodat het daar in de tuin kan spelen.’
‘s Avonds stel ik een zoekopdracht op Funda in.

De map

      Geen reacties op De map

Follow my blog with Bloglovin

In de brief staat wanneer we geacht worden te komen. Het is het eigenlijke begin van Het Traject. Hoeveel mensen zouden er op dit moment afhaken omdat tijdens de wachtlijstperiode hun relatie gestrand is? De wachtlijst is immers lang en wordt alleen maar langer (op het moment van schrijven is er zelfs een stop in de aanmeldingen) en in anderhalf jaar tijd kan er een hoop gebeuren.

We kunnen kiezen uit nog geen twintig donoren. Schrikbarend weinig vind ik dat. Logisch dat de wachtlijst zo lang is, als er maar zo weinig mannen genegen zijn om te doneren. Je vraagt natuurlijk ook heel wat van zo iemand, zeker nu het niet meer volledig anoniem kan. De gedachte dat er over twintig jaar ineens tien kinderen op je stoep staan, zal veel mannen met huiver vervullen. Het ironische is dat juist omdat er zo weinig donoren zijn de kans groter is dat je als donor veel biologische kinderen krijgt. Er is wel een vastgesteld maximum van 25 kinderen, en als je wil kun je vast ook zelf een lager maximum hanteren, maar dan nog: als er echt veel beschikbare donoren zouden zijn, zou er helemaal geen wachtlijst hoeven zijn. De laatste jaren is bovendien gebleken dat er in ziekenhuizen niet altijd zorgvuldig gehandeld is, waardoor het imago niet al te best is. Dat is heel vervelend, maar ik hoop dat mensen zich daar niet door zullen laten weerhouden. Het lijkt mij dat er nu zo veel controle is dat er nu zorgvuldiger wordt gehandeld dan ooit. Je kunt zo veel voor mensen betekenen door wél te doneren. Ik ben in elk geval erg dankbaar dat dit mogelijk is, dat er toch in elk geval een aantal donoren beschikbaar zijn!

De gegevens van de donoren zitten in een map. Gewoon zo’n ringband, telkens een A4’tje in een plastic hoesje. We zitten in een apart kamertje en bladeren de map door. Van die krap twintig donoren zijn er een aantal met een Aziatische of Zuid-Amerikaanse achtergrond. Die vallen sowieso af. Eentje (precies degene die qua uiterlijk het meest op mij lijkt, afgaande op de basale kenmerken die je gegeven worden, namelijk lengte, haarkleur en -soort en oogkleur) wil niet doneren aan lesbische vrouwen, dus die valt ook af. Een aantal zijn al gestopt met doneren en een aantal hebben een lage opleiding (waar verder niks mis mee is, maar wat aangezien we zelf allebei hoogopgeleid zijn niet onze voorkeur heeft), dus die vallen ook af. Omdat ik graag een donor zonder bruine ogen wil, omdat ik die zelf ook niet heb, blijven er eigenlijk maar twee donoren over. Je moet er twee kiezen. We zijn dus gauw klaar. Het is zo vreemd, aan de ene kant lijkt het een Heel Belangrijke Beslissing, waar je zorgvuldig over na moet denken enzovoorts, maar aan de andere kant is het overduidelijk wie we moeten kiezen, dus hoe lang moet je daar nu helemaal over nadenken?
Dat is dan weer het voordeel van zo’n beperkt aantal, je bent geen uren bezig met al die profielen door te lezen.

De brief

      Geen reacties op De brief

‘Die ene vrouw die in oktober op de wachtlijst is gekomen, is nu aan de beurt’, vertelt N. bij het avondeten.
Prompt krijg ik maagpijn. ‘Maar dan zijn wij ook bijna aan de beurt!’
‘Nou ja, in december gebeurt er vast niets, dus ik weet niet hoor.’
‘Maar wij waren in november.’
‘Ja, dus het begint op te schieten.’ N. eet tevreden verder.
Ik ben bang. De wachtlijst is voor mij steeds behoorlijk abstract gebleven, maar nu word ik er ineens mee geconfronteerd dat het wel degelijk een concreet gevolg zal hebben. Er zal een brief komen. We zullen op gesprek gaan en proberen om een kind te krijgen. Waarom ook alweer? Ons leven is toch best leuk zo? En zijn we niet nu al drukker dan goed voor ons is?
De rest van de avond lukt het me niet om de paniek echt van me af te schudden.

Een paar maanden later. ‘Ik dacht dat het misschien De Brief zou zijn’, zeg ik. Vluchtig scan ik de brief van de ANWB door, peuter het pasje ervan af en stop het in mijn portemonnee.
‘Nee’, zegt N. ‘Was het maar waar.’
‘Ja’, zucht ik. ‘Wanneer komt ie nou? Straks zijn ze ons vergeten. Die vrouw die in oktober op de wachtlijst stond, was allang aan de beurt!’
‘Ja… Zou ik moeten bellen?’
‘Misschien.’
Elke ochtend op de fiets denk ik: Zou vandaag dan toch De Brief komen? En elke avond ben ik teleurgesteld als dat niet zo blijkt te zijn.

Een paar dagen later. Ik heb een trainingsdag op mijn werk. Heel de dag houd ik mij bezig met het maken van sjablonen in het zaaksysteem dat we willen gaan implementeren. Het is leuk. Maar ook vermoeiend, en de gedachte dat er in de tussentijd zo veel werk blijft liggen, en dat ik ook nog aan de eindopdracht voor mijn opleiding moet werken, maakt me gestrest. Aan het einde van de dag open ik mijn persoonlijke mail om nog even een mailtje te sturen aan de docenten van mijn opleiding. Die hebben namelijk bedacht dat de eindopdracht in tweetallen moet, maar er niet bij verteld hoe je handig een project bij een organisatie kan uitvoeren als een van de twee fulltime bij een andere organisatie werkt. Ik weet al precies wat ik ga mailen, maar zie dan dat N. mij gemaild heeft: ‘De Brief is onderweg!!!’ Snel scan ik de mail, waarin ze verslag doet van het telefoongesprek dat ze gevoerd heeft. Ik ga terug naar de eerste zin. De Brief is onderweg.
Ik kan alleen nog maar grijnzen. De mail die ik wilde versturen, lijkt ineens niet zo belangrijk meer. De Brief is onderweg!!!

Reacties van anderen

      Geen reacties op Reacties van anderen

‘O echt, als jullie later een kind krijgen, dan zal die vast zó sportief zijn!’
‘Wacht maar tot je zelf een kind krijgt, dan begrijp je vast beter waarom je moeder het geen tof idee vindt dat je in Honduras wilt gaan backpacken.’
‘Als jullie een kind krijgen, wordt dat vast zó’n mooi kindje, met jouw haar en dan haar ogen. Ik zie het al helemaal voor me.’

Zulk soort dingen worden nu nooit eens tegen ons gezegd. Dat komt niet (alleen) omdat ik sport beschouw als een gevaar voor je gezondheid, ik er niet over peins om naar Honduras te gaan en omdat mijn haar niet speciaal iets is wat je een kindje zou toewensen. Het komt omdat mensen er niet vanuit gaan dat je als vrouwenstel een kinderwens zou hebben. Als we geen kinderwens hadden gehad, zou dat erg prettig geweest zijn. Voor vrouwen zonder kinderwens kan het bijzonder irritant zijn dat iedereen voortdurend wél zulk soort dingen tegen hen zegt. Telkens weer moeten ze zichzelf verdedigen, omdat iedereen er maar vanuit gaat dat ze kinderen zullen willen. Is het niet nu, dan toch zeker in de toekomst, als ‘de biologische klok begint te tikken’. Zo prettig als mensen met zekerheid reacties van je lichaam kunnen voorspellen, maar niet heus.

Wij hebben wel een kinderwens, maar er zijn slechts weinigen die beseffen dat dat een mogelijkheid is. Het voordeel is dat we daardoor niet direct open tegen mensen hoeven te zijn over onze plannen. Het nadeel is dat het soms gewoon kwetsend is, als in een gesprek zo openlijk blijkt dat mensen je niet als potentiële moeder beschouwen. Een lunchgesprek met collega’s waarbij er geraden wordt wie als eerste een kind zal krijgen en dat je dan totaal wordt overgeslagen, bijvoorbeeld. Maar ergens begrijp ik ze wel, ik vind het ook volslagen onmogelijk om mezelf als moeder voor te stellen.
Ik ben dan ook blij verrast als een vriendin van N. vraagt of we kinderen willen. En dan is er nog de collega op mijn werk die vanuit het niets vraagt of ik kinderen zou willen, en of ik dan zwanger wil worden, en hoe we dat dan willen doen. Maar deze collega is homo, en blijkt zelf wel eens gevraagd te zijn als donor, dus ergens vind ik dat toch niet helemaal tellen.

Het voelt als een groot, maar ook wel leuk geheim, dat we nu op de wachtlijst staan. Een geheim dat we overigens best met een aantal mensen hebben gedeeld. Met mijn ouders, die het heel leuk vinden. Veel leuker dan toen we met onze trouwplannen op de proppen waren, want was dat niet een beetje snel, was dat nu echt al nodig? (We waren toen zo’n vijf jaar samen, maar hun eigen huwelijk ging nog geen jaar na onze trouwerij kapot, misschien had dat er wat mee te maken.) Van tevoren was ik bang dat mijn ouders het jammer zouden vinden dat N. degene is die zwanger wil worden, maar waarschijnlijk zijn ze allang blij dat we een kind gaan proberen krijgen, want ze zeggen daar niets over. Integendeel, mijn moeder komt op een gegeven moment met een anekdote waarbij de grootouders dat onderscheid maakten en dat vindt ze helemaal belachelijk, dus dat is zeer geruststellend. Ze verheugen zich erop om grootouders te worden en of dat kindje nu biologisch aan hen verwant is of niet, vinden ze niet belangrijk.
Aan mijn oma vertel ik het ook, omdat ze op sterven ligt en door de morfine ineens enorm ruimdenkend is geworden.
En aan onze beste vriendin, die nooit ergens een oordeel over velt en het allemaal wel prima lijkt te vinden. Aan een collega, de schoonfamilie, aan mijn zusje. Iedereen reageert positief.

Het is fijn om te weten dat er mensen zijn die ons steunen, die achter ons staan en die sowieso van ons kind zullen houden.

 

Follow my blog with Bloglovin

Wachten op de wachtlijst

      Geen reacties op Wachten op de wachtlijst

‘Wie van jullie wil als eerst zwanger worden?’ vraagt de vrouw in het ziekenhuis.
Als eerst, alsof we zouden eindigen met meerdere kinderen. Alsof één kind niet al onvoorstelbaar genoeg zou zijn.
Als eerst, alsof het een optie is dat ik ooit zwanger zou worden. Als ze mijn gewicht geweten had, had ze het waarschijnlijk niet eens gevraagd. Puur praktisch gezien is het volkomen voor de hand liggend dat N. degene is die gaat proberen om zwanger te worden.

Los daarvan is N. ook degene die zwanger zou willen zijn. Ik heb die wens absoluut niet en besef dat ik op een bepaalde manier in een luxepositie zit: ik kan de kinderwens loskoppelen van een zwangerschapswens. Dat kunnen vrouwen in een doorsnee hetero-relatie niet. Als zij een kind willen, spreekt het voor zich dat zij zwanger zullen proberen worden. Tegelijkertijd is het allesbehalve een luxepositie, want het betekent wel dat mijn kind biologisch niet van mij zal zijn. Niet dat ik vind dat mijn genen zo fantastisch zijn dat ze dringend moeten worden overgedragen op volgende generaties, maar de band tussen mijn kind en mij zal minder vanzelfsprekend zijn dan bij andere ouders. Er zullen geen gesprekken mogelijk zijn als: ‘Hé, jouw neus lijkt precies op die van mij’. Gesprekken die, als je erop gaat letten, ongelooflijk vaak gevoerd worden.

Voordat we in het ziekenhuis terecht kunnen, hebben we eerst een afspraak bij de huisarts om ons door te laten verwijzen. Je kunt niet zomaar bij het ziekenhuis aankloppen, eerst moet er een verwijzing komen van de dokter dat het je niet zonder het ziekenhuis zal lukken om zwanger te worden. In ons geval is het overduidelijk dat het ons zonder hulp niet gaat lukken om een kind te krijgen (hoe mooi dat ook zou zijn). Dus we gaan braaf naar de dokter, die het allemaal reuze-fascinerend vindt en driftig in haar computer probeert op te zoeken hoe ze die verwijzing moet maken. ‘Impotentie, nee, dat is het ook niet helemaal’, horen we haar mompelen. Uiteindelijk lopen we toch met de verwijzing de deur uit.
In het ziekenhuis hebben we eerst nog een afspraak bij iemand die helemaal niets blijkt te doen met vrouwenstellen met een kinderwens, dus dat schiet lekker op. Een volgende afspraak kan uiteraard pas weer over een aantal weken worden gemaakt, dus het duurt even voordat we tegenover de juiste arts zitten. Ze ondervraagt N. over welke ziektes en dergelijke in haar familie voorkomen en informeert ons over het traject. De wachtlijst is op dat moment ongeveer anderhalf jaar. Het is dus maar goed dat we niet gewacht hebben totdat we echt al een direct een kind zouden willen, want alleen al op de wachtlijst komen, blijkt een aantal maanden te duren…

Later is nu

      Geen reacties op Later is nu

Omdat N. en ik elkaar ontmoetten toen we nog studeerden, was lange tijd ons idee bij kinderen dat we dat ‘later’ wel wilden. De ommekeer kwam toen we de documentaire van Mirella van Markus zagen, ‘Wij willen ook een kind’. Die documentaire gaat over Mirella van Markus en haar vrouw, en over dat zij ook een kind willen. En hoe ze dat dan wilden aanpakken, of het een bekende donor moest zijn die een vaderrol zou gaan vervullen of niet. Ineens beseften we: ‘Wij willen ook een kind.’ En dat als we later een kind wilden, dat het dan nu tijd was om de verschillende opties op een rijtje te zetten.

Gedeelde opvoeding (bijvoorbeeld samen met een homo-stel of een alleenstaande man)

Dat lijkt heel ideaal en ik kan me wel een voorstelling maken van hoe leuk het voor een kind zou kunnen zijn om vier ouders te hebben: twee vaders, twee moeders, en lange zomeravonden waarin je dan allemaal samen gezellig een wijntje drinkt en dat je kind dan een stukje stokbrood roostert boven een kampvuurtje en zo. Maar ik drink geen wijn, en ik houd niet van kamperen en heb de onhebbelijke eigenschap bezoek altijd na een uur weer buiten te willen zetten, omdat ik dan genoeg heb van het sociaal zijn en liever met N. lekker televisie ga kijken. Samen met een ander stel een kind opvoeden, vergt heel veel communicatie en sociaal gedoe, en N. en ik wisten al direct dat dat voor ons nooit zou gaan werken. Daar komt nog bij dat we het risico groot vonden dat ik er maar een beetje bij zou hangen, of althans, dat mensen dat zo zouden zien. Let maar eens op, in tijdschriften als deze ‘bijzondere gezinsconstructie’ besproken wordt, zijn er standaard formuleringen als: ‘Mariska (32) en Johan (40) zijn de biologische ouders van Lucy (1). De ene helft van de week is Lucy bij Johan, de andere helft bij Mariska en Jolanda (35), de partner van Mariska.’ Terwijl Jolanda net zo veel poepluiers verschoont als Mariska, hè.
Het kan ongetwijfeld werken en heel mooi zijn, maar je moet wel ongelooflijk goed met elkaar afspraken maken en voortdurend alles overleggen en het met elkaar eens zijn. En dan heb ik het nog niet eens over het horrorscenario dat dat andere stel uit elkaar zou gaan waardoor je kind ineens drie woonadressen heeft.

Bekende donor zonder vaderrol

Hiervoor geldt ook dat je dan wel eerst een geschikte donor moet zien te vinden. Dat geldt overigens ook voor de vorige optie, zie maar eens een stel te vinden waar het zodanig mee klikt dat je zo’n avontuur aandurft. Je moet wel zeker weten dat je een betrouwbare donor hebt, want ook al ga je natuurlijk in de weer met contracten en handtekeningen enzovoorts, je weet toch nooit zeker of iemand zich bedenkt en ineens wél een vaderrol op zich zou willen nemen, ‘want het is toch ook mijn kind’. Als je iemand in je omgeving hebt en waarvan je weet dat je diegene kunt vertrouwen, een leuke broer zonder kinderwens bijvoorbeeld, dan kan dit (net zoals de vorige optie) een goede optie zijn. Maar wij hadden zo iemand niet, dus voor ons was dit geen optie.

Een volledig onbekende donor

Dit mag in Nederland niet meer sinds een aantal jaar, dus voor deze optie zou je moeten uitwijken naar Denemarken (of België). Hadden wij geen zin in. Ik houd me graag vast aan het idee van de Nederlandse wetgeving; ze hebben niet voor niets bepaald dat een kind altijd de mogelijkheid moet hebben om te kunnen achterhalen wie de donor is. Het leek ons ook goed als ons kind later op enig moment meer informatie kan krijgen over wie zo vriendelijk is geweest om ervoor te zorgen dat hij/zij kan leven. Overigens zijn er ook mensen die gaan voor een donor uit Denemarken waar juist wél veel informatie over bekend is, compleet met een opname van de stem en kinderfoto’s, maar dit leek ons naast duur ook nogal onhandig. Dan kan je kind eindelijk de donor ontmoeten, en dan spreek je elkaars taal niet eens…

Een voor ons onbekende donor

De spermabank dus, hoe vervelend dat woord ook klinkt. Gewoon via het ziekenhuis, dus in die zin hoop je dan dat alles een beetje goed en professioneel geregeld is. Geen gedoe met contracten met andere mensen, geen gedoe met dat het nog nodig is om je eigen kind te adopteren.
Eigenlijk waren we er dus vrij snel over uit, want gelukkig bleken we er ook vrijwel hetzelfde over te denken. Uiteindelijk moet je toch kijken naar wat het beste bij je past, omdat dat het beste zal zijn wat je je kind kan bieden. Voor ons was duidelijk dat we het kind met z’n tweeën op wilden voeden. Voor andere mensen kan het duidelijk zijn dat ze hun kind juist een of meerdere vaders willen geven. Iedereen moet daar zijn eigen keuze in maken. Ik ben ervan overtuigd dat het het beste voor je kind is als je hier goed over hebt nagedacht en achter je keuze staat. Als je vindt dat je kind een vader nodig heeft, en vervolgens maak je de keuze om het via een onbekende donor uit Denemarken te doen (of dat je wel in een hetero-relatie zit maar je man loopt vlak voor de geboorte weg), lijkt me de kans veel groter dat een kind een vader gaat missen dan wanneer je van begin af aan bedenkt dat jouw kind twee moeders heeft en dat dat voldoende gaat zijn. Wat voor mij ook hielp, is dat er wetenschappelijk onderzoek is waaruit blijkt dat kinderen met twee moeders het even goed (of zelfs beter) doen dan kinderen uit hetero-gezinnen.
Wat veel mensen een bezwaar vinden aan een donor via het ziekenhuis, is de wachtlijst. Maar wij hadden die wachtlijst ingecalculeerd en hard nodig. Ik wilde die tijd gaan gebruiken om te wennen aan het idee dat ik ooit hopelijk moeder zou mogen worden, en om rijles te nemen en een vaste baan te krijgen. Genoeg te doen dus in de tussentijd.

Kinderwens

      Geen reacties op Kinderwens

Toen ik een jaar of zes was, wilde ik kinderen. Nog niet op dat moment natuurlijk, maar als ik later groot zou zijn. Twee stuks, een jongen van zes die ik Pieter zou noemen en een meisje van vier dat Lieke zou heten. Over die namen had ik erg goed nagedacht. Over de rest niet.

Vanaf een jaar of tien verkondigde ik dat ik later geen kinderen wilde, omdat ik bang voor ze was. Dat klopte, maar omdat er weinig is waar ik niet bang voor ben, was dat niet de hoofdreden. De hoofdreden was iets wat ik op dat moment nog niet kon benoemen, maar het had iets te maken met de context waarin de meeste mensen kinderen krijgen. Ik kon mij niet voorstellen dat ik ooit een relatie zou hebben met een man. Daaruit concludeerde ik dat ik geen kinderen zou kunnen hebben, en dan was het wel zo handig als ik mezelf ervan kon overtuigen dat ik ze toch al niet wilde. Wat niet zo’n grote opgave was. Ik hoefde enkel te denken aan snottebellen en poepluiers en elke prille kinderwens verdween als sneeuw voor de zon.

Dat veranderde toen ik een relatie met N. kreeg, die toen al wist dat ze later kinderen zou willen, en ik doorkreeg dat er ook vrouwenstellen met kinderen bestonden. Ineens werd het een optie, een mogelijkheid voor de toekomst, iets waarover nagedacht kon worden.

In die tijd hadden we een oppaskindje, L.. Het was vooral N.’s oppaskindje, want N.’s moeder had aan de ouders van L. voorgesteld dat wij wel konden oppassen, en N. deed alle moeilijke dingen zoals L. optillen, verkleden, verschonen en in bed leggen. Ik stond erbij en keek ernaar. Voordat L. naar bed ging, moest er echter natuurlijk ook voorgelezen worden, en dat deden we samen. L. zat tussen ons in en keek geïnteresseerd naar het boek. Zijn lichte blonde haren zagen er zo glad en lief uit dat ik ze wel even aan móést raken. Op dat moment kwam het besef op dat ik ook ooit een kind zou willen. Niet alleen om een naam te geven, maar om op te voeden en van te houden.

Follow my blog with Bloglovin